‘Het leven is een herhaling van zetten. Een repeterend handelen in alledaagsheid. En daartussenin glimt het geluk.’

Natúúrlijk was mn blogje van eergisteren een 1 april grap. Ik ga niet stoppen, dat zou veel te definitief zijn. En hier schrijven is te leuk. Van de week had ik al 2x een situatie meegemaakt dat ik dacht: hier heb ik over geblogd! (Gewoon wederom een man die meerdere malen gi gan tisch zat te gapen terwijl ik met hem in gesprek was). En daarbij: het is toch leuk dat er 3 mensen zich afvragen of het een 1 april grap is dat ik schrijf te stoppen. Ik moet dan toch een beetje aan de woorden van Jezus denken, daar waar twee mensen of meer … naar mijn blog komen om te lezen, daar ga ik verder met schrijven. (Verder heb ik geen messiascomplex hoor).
Maar goed, ik laat me afleiden. Begin februari maakte ik een conceptblog aan met de titel ‘druk vs veel te doen hebben.’ Maar ik had geen tijd om die te schrijven.
Tegenwoordig lijkt het de bedoeling te zijn dat je ‘druk’ antwoordt op de vraag ‘hoe gaat het?’.
En dat is toch gek, vind ik. Het druk hebben betekent eigenlijk dat je je zaken niet goed op orde hebt, dat je niet goed plant, niet goed je grenzen aangeeft. Druk hebben is niet iets nastrevenswaardig. Niets iets waar je trots op zou moeten zijn, of mee te koop zou moeten lopen.
Toch, als ik in een groep zit, en iedereen zegt het druk te hebben, dan voel ik groepsdruk en voelt het heel zonderling om te zeggen dat ik het lekker rustig heb.
In de afgelopen maanden had ik wel veel te doen. Maar veel doen, is dat druk? Wat voor de één druk is, is voor de ander weinig. Daarom vind ik het mooi dat er bijvoorbeeld in het onderwijs wordt gesproken over ervaarde werkdruk. Omdat ‘druk zijn’ zo subjectief is.
Oké, ik heb een blouse gekocht, in de meest prachtige blauwe kleur ever. Van een heel mooi duurzaam (echt! Zoek het maar na) merk.
Had ik deze blouse écht nodig, omdat ik anders met een bloot bovenlijf over straat zou moeten gaan? Nee, niet echt. Maar natuurlijk heb ik voor mezelf wel redenen waarom deze blouse een goede aanvulling zou zijn in mijn garderobe.
Wat is genoeg? Steeds vaker vraag ik mezelf dat af. Er is niet echt een grens, totdat je die zelf bepaalt.
En ik zeg tegen mezelf, ik koop kwaliteitsstoffen, ik koop van duurzame merken, ik koop ook tweedehands, ik geef weg, ik verkoop door, maar onderaan de streep blijft het steeds kopen. En ik weet ook dat het gaat om minder, en niet op een andere manier méér.
Nu ging het bij m’n kinderen op school ook over de 40 dagen vasten tijd. Ze zouden alle drie niet meer snoepen en cola drinken. Ik geloof dat het bij alle drie de eerste middag al mislukte. Maar, het zette mij wel aan het denken. 40 dagen iets proberen niet te doen. Lijkt simpel: in plaats van ervoor kiezen iets wel te doen, ervoor kiezen om iets niet te doen.
Dus. 40 dagen zonder kleding kopen voor mezelf. Zeg ik nadat ik een prachtige blauwe blouse in ontvangst heb genomen.
Je moet het ikje, dat af en toe naar buiten piept, ook aandacht geven.
In mijn hele lijf, van kruin tot teen, voel ik zoveel weerstand bij deze zin. Ik weet niet welke superlatieven ik moet gebruiken om aan te geven hoe problematisch ik deze opmerking vind.
Deze zin werd tegen me uitgesproken in een coachgesprek dat ik had, in het kader van de opleiding coachend leiderschap die ik doe.
Ik ben al weken aan het nadenken waar deze weerstand vandaan komt. Want natuurlijk, je moet ook af en toe ‘je eigen emmertje’ vullen, om maar even de taal van nu te gebruiken. In de kern ben ik het daar ook mee eens.
Maar het presenteren als een oplossing voor een probleem waar ik zelf niet eens om gevraagd heb, klinkt zo, zo als een trucje, zo leeg en zo nietszeggend.
Want beste coach, denk je echt dat als je maar het ikje aandacht geeft, dus laten we zeggen, ik ga een avondje uit, of een weekendje weg, of ik doe op een middag iets wat ik leuk vind, dat dan daarmee plotseling de uitdagingen van het leven zijn opgelost? Het is zo kortstondig, snap je coach.
Ik las trouwens pas geleden dat veel mensen die bij een psychiater of psycholoog lopen (en het is daar erg druk tegenwoordig), vaker tegen zingevingsvragen aanlopen, dan tegen psychische aandoeningen.
Dat ikje voeden, dat gaat je niet redden. Niet op de lange termijn in ieder geval.
Wat mijn echte coachvraag was in dat gesprek, was hoe ik meer zou durven confronteren, zou leren me uitspreken. Grappig genoeg werd daar niet op ingegaan, en ik liet het gebeuren.
Dat irriteert me met terugwerkende kracht enorm. Daarom ben ik zo kwaad op dat ikje.
Wij zijn al twintig jaar samen, waarvan al meer dan 13 jaar getrouwd, en hoe geef je woorden aan wat iemand voor je betekent als je langer samen bent dan ooit los van elkaar geweest?
Maar ik ga toch een poging wagen. Omdat het Valentijn is, en ik een man heb van de grootse gebaren.
Mijn thuis. Ik denk dat ik het meest houd van z’n ogen. Ogen die vol leven zitten. Vriendelijke, mooie groene ogen, die me bemoedigend aankijken, als ik iets spannends doe. Te weten dat er iemand is op wie ik altijd altijd altijd kan terugvallen. Ogen die een plan hebben. Ogen met kraaienpootjes. Mijn thuis. Ik ben niet degene met grootste gebaren, maar wel van grootse woorden.
Ik hou van zijn levenslust. Van de energie, en de irritatie die hij heeft als hij futloos is. Van de vechtlust, als dat nodig is. Van de metaforen en vergelijkingen die altijd treffend zijn, ook als ze me niet zo goed uitkomen. Ik houd ervan hoe hij geen beren op de weg ziet, en als er wel beren zijn, hij ze één voor één aanpakt en uit de weg ruimt (in de overdrachtelijke zin dan hè, maar dat begreep je al wel). Ik houd van z’n vrijgevigheid, en zijn delen in wat hij heeft; ik mag altijd de laatste hap van z’n loempia (andersom komt dat tot mijn schaamte niet zo vaak voor). Ik houd van het kiezen voor het goede en juiste, al lonkt de andere kant. Ik houd van de vader die hij is voor onze kinderen; dat hij bereid is om te luisteren. O, en ik houd van zijn humor. De zelfspot om zichzelf, en de geintjes die op het randje zijn, of net even te grof (die de kinderen niet mogen horen), maar desondanks ontzettend grappig zijn. Maak me aan het lachen, en ik ben als was in je handen.
Ik moest denken aan onderstaand gedicht Voor een dag van morgen van Hans Andreus (1926 – 1977)
‘Wanneer ik morgen doodga,
vertel dan aan de bomen
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan de wind,
die in de bomen klimt
of uit de takken valt,
hoeveel ik van je hield.
Vertel het aan een kind
dat jong genoeg is om het te begrijpen.
Vertel het aan een dier,
misschien alleen door het aan te kijken.
Vertel het aan de huizen van steen,
vertel het aan de stad
hoe lief ik je had.
Maar zeg het aan geen mens,
ze zouden je niet geloven.
Ze zouden niet willen geloven dat
alleen maar een man
alleen maar een vrouw
dat een mens een mens zo liefhad
als ik jou.’
I feel like I should tell this story in English, because we’ve had yesterday an evening in an international setting. And i’m like
No worries, dit gaat gewoon verder in het Nederlands. Gisteravond belandden we in een rooftopbar, in Stockholm, waar we een clubje mensen zouden ontmoeten, voor een vrijdagmiddagborrel. Gemeenschappelijke deler: AKKA Nordics, een community van investeerders, die startups helpt. En omdat het een redelijk nieuw platform is, werd er een avondje georganiseerd om elkaar te ontmoeten, met founder Jon Olssen (zoek ‘m maar op op yt of Instagram).
Geert had er wel zinnigheid in om voor een vrijdagmiddagborrel naar Stockholm te vliegen, en vroeg mij mee. Ik schiet in eerste instantie in een kramp, want: kinderen. Toen die bij schoonouders en schoonzusje mochten logeren, stond mij ook niets meer in de weg.
Onze angst was een beetje dat we de enige Nederlanders waren binnen een groep van Zweden, en dat iedereen dan om ons, Engels zou moeten praten. Maar niets van dat al bleek waar, het was een zeer gemêleerd gezelschap (alhoewel ik me ietsje ongemakkelijk voelde omdat ik de enige vrouw was, en de enige +1).
Voor de tijd hadden we ons ingelezen in Zweedse etiquette, niet te laat komen, iedereen bij zowel kennismaking als vertrek een hand geven, en bescheiden zijn.
Geert had er een zakelijk belang bij, maar ik was gewoon een fly on the wall. Smile and wave, en inhaken op stukjes zinnen die je eruit pikt, en je zin laten eindigen in een vraagteken, zodat je gesprekspartner weer verder kan praten. (Ik had bewondering voor Geert die inhoudelijk echt moest opletten wat er gezegd werd, en met zinnige voorbeelden en scherpzinnige vragen kon terugreageren, en dat in een omgeving waar een opa-dj aan het draaien was).
We hebben een kostelijke avond gehad, al was het alleen maar om de bijzondere dynamieken mee te krijgen.
Wat alleen niet soepeltjes liep, ondanks de etiquettestudie, was het gedag zeggen. Ik dacht handen schudden, maar het werden zoenen op de wang. Ik ging uit van de Hollandse drieklapper, maar het bleken er twee te zijn, waardoor ik ongemakkelijk bleef hangen met mijn wang.
Oké laten we beginnen met dat dit een unicum is, een gastblog bij mijn favoriete blogger Aaltine! Bedankt voor deze kans.
We zijn dus net terug van wintersport. ‘We’ is in dit geval niet Aaltine en ik (dat doen we volgend jaar inderdaad anders), maar Rinke, Meindert en ik, Geert. Deze samenstelling is nieuw en ontstond uit een OLY les ergens afgelopen zomer. Meindert, de trainer, had nog nooit geskied en dat leek hem wel wat.
Dat gezegd hebbende heeft, zoals het bij mannen betaamt, niemand het meer over deze plannen tot 14 dagen voor eerst mogelijke datum. Er gaat een appje naar Meindert, “lukt deze datum?” “Ja?” “Pik je om 0300 uur op.”
Wie Aaltines blog volgt, weet: Geert + auto + vakantie = avontuur. Lang verhaal kort, we staan om 03.00 uur bij Meindert voor de deur, en de RS6 beslist: “Hier trek ik de grens”. Dus om 03.30 uur Aaltine (weer) wakker gemaakt en meegedeeld dat we met haar auto gaan. Die werkte prima en bracht ons super snel in Gerlos!
Dag 1: gelukkig hebben we Rinke:
Rond 11.00 uur komen we aan en we hebben prachtig weer. Fanatiekelingen zouden meteen de ski’s onder binden, maar Rinke heeft een ander plan: eerst ski’s huren voor Meindert, een waxbeurtje voor de onze, en dan rustig aan doen. Dit idee werd dan ook zonder tegenstemmen goedgekeurd. Om 13.00 uur zaten we aan de ‘kost’, en de rest van de middag was gereserveerd voor après-ski.
Dag 2: erop of eronder:
Nu ski ik vanaf dat ik vier was, het wordt dan een soort tweede natuur. Hierdoor zeg je ook wat makkelijk ‘ik leer je wel skiën’. De waarheid is dat je dan weer ziet hoe moeilijk skiën eigenlijk is. Pizzapunt, kracht op je dal ski, bochten afmaken, niet teveel voorover, niet teveel achterover, niet achteruit skiën, etc. etc. Nu is Meindert een sportman ten top, maar aan het einde van een lange dag begon ik me wel zorgen te maken of hij het nog wel leuk vond. Het is (voor iedere beginner) veel vallen, opstaan, angst overwinnen en onnatuurlijke houdingen aannemen.
We waren zo fanatiek, dat we de laatste gondel ook nog misten. Hierdoor bleef een rode piste (naar het dal) de enige optie. Die piste bleek een slagveld te zijn. Meindert twijfelde geen moment, trok alles uit en sprak de legendarische woorden, ‘ik ga lopen’. Op papier krijg ik de situatie niet zo goed als de werkelijkheid, maar het was een mix van vallende mensenmassa’s, ski’s, stokken en helmen die ongecontroleerd de piste afgleden en Meindert die stug doorliep.
In het hotel teruggekomen hadden we twee opties: direct door naar de apres ski, of eerst even douchen en liggen. De laatste won met 2 stemmen voor en 1 stem tegen (Rinke). We raapten rond 20.00 uur alle moed bij elkaar om toch nog naar de apres ski te gaan, maar dit werd een flop, we hadden al snel door dat promillageverschil te groot was, dus dropen langzaam af naar het hotel.
21.30 Whatsappje naar Aaltine: je hebt kans dat we morgen al terug zijn. Het is erop of eronder. Ik hou van je, ik mis je, slaap lekker.
Dag 3, gelukkig hebben we Rinke:
08.30 uur, met een onbestemd gevoel zoek ik onze ontbijttafel op. Meindert strompelt ook binnen: “Alles doet zeer, mijn billen zijn blauw, mijn benen en knieën ook.” Toch is hij vastberaden: “We gaan er weer voor.” Rinke grijpt ook in: “nog even over de après-ski, vandaag stemmen we niet. Geert, jij luistert.” Ik, nog chagrijnig van de avond ervoor, knik braaf.
Wat we toen nog niet wisten, was wat er een fantastische dag op ons zat te wachten. We zijn naar een ander skigebied gereden, een skigebied met veel blauwe pistes waar Meindert ineens bochten maakte en begon te remmen op de juiste momenten. En Rinke en ik? Wij leefden ons, tijdens Meindert zijn pauzes, uit op rood en zwart.
En de Après-ski? Juist, niet douchen en geen getrut! We checkten netjes om 16.00 uur in bij de Cin Cin. Waar we strategisch op beste plek zaten en waar het een komen en gaan was van nieuwe mensen leren kennen.
Het succes van de avond? De klassieke groene krokodil, maar dan op een plaat met 20 shotjes eromheen. Je raadt het al: verkeerde tand, shotje drinken. Perfect om contact te leggen—je stoot iemand aan, drukt op een tand, en bam, het ijs is gebroken. Natuurlijk wilden we de krokodil te slim af zijn, dus vroegen we ChatGPT om een patroon te vinden. Maar zelfs AI gaf het op. ‘Sorry, ik haak af,’ zei chat na een tijdje. Wij rond 21.00 uur ook, maar dan fysiek.
Uiteraard beloof je op zo’n avond van alles aan iedereen: vastgoed in Curaçao, koffiedrinken met de eigenaren van andere bedrijven, natuurlijk leer ik jou ook skiën morgen en binnenkort een visje op Urk? Top idee! Hoe serieus dat was? Laten we zeggen: er waren veel Jägerbombs in het spel.
Dag 4: inkakken is…. Inpakken
Rinke en ik kennen elkaar door en door, we sturen op dag 4, woensdag, elkaar een appje: ‘Moge vriend, hoe zou het met Meindert zijn? En bespreken we bij ontbijt even hoe vandaag eruitziet’. Cryptisch sturen we hier naar elkaar, we gaan vandaag lekker naar huis oké? Dingen, zoals vakanties, moet je ook niet oneindig lang willen rekken. Als het mooi is geweest, is het mooi geweest.
Tijdens het ontbijt doen we alsof we nog overleggen, maar de beslissing is al gevallen. Nog even skiën, lunchen, en om 15.00 uur rijden. Nadat we de eigenaar van het hotel overtuigd hadden dat deze keuze niets te maken had zijn hotel (hadden geboekt tot donderdag), maar met het gemis aan het thuisfront, mochten we uitchecken.
Op de piste aangekomen houdt Meindert het na 2 bochten voor gezien. Zijn enige missie is dan nog om van boven op de berg in een pizzapunt het terras te halen. Rinke en ik gaan nog even rauzen, zittend in de lift geven we elkaar een boks, was een mooie vakantie makker.
Onze missie: Meindert enthousiasmeren en heelhuids bij Sanne terugleveren is gelukt, want wat zie je een ellende tijdens die paar dagen, menigeen wordt naar beneden gebracht met bananen en sneeuwscooters, tja zo kan je vakantie ook lopen, o nee dat kunnen de meesten dan niet meer. Rinke en ik pompen ons lijf nog even vol met adrenaline om een uurtje later bij Meindert op het terras aan te schijven.
In het hotel gekomen, nog snel nog even douchen, inpakken en de auto in! Reizen met de auto gaat, zolang ik het zelf voor het zeggen heb (en de auto werkt), zo optimaal mogelijk. 100KM voor een lege tank meld ik dat we binnenkort gaan tanken, zo kan iedereen alvast nadenken: moet ik plassen, poepen en we maken één iemand verantwoordelijk voor proviand. Tanken kun je op deze manier onder de 5 minuten fixen en zo kon ik om 22.00 uur lekker naast Aaltine op de bank schuiven.
Dag 5: eind goed al goed
Donderdagochtend 09.00 uur, we hebben de kinderen weer naar school gebracht en samen met Rinke zitten we weer vertrouwd in ons kantoor. “Zaten we er nog maar he?”, “Ja zaten we er nog maar”, is het eerste wat we tegen elkaar zeggen deze morgen. Eigenlijk zeggen we: “wat heerlijk dat we weer lekker thuis zijn hè!”
Bijna dagelijks rijd ik langs de relrotonde van Urk.
Als je aan komt rijden, of langs komt fietsen, dan zie je een ronde plek, duidelijk zwartgeblakerd van het vele vuur dat er gewoed heeft. Je ziet half afgebrande materialen liggen, troosteloos op een hoop. Er groeit geen gras, er wuiven geen gezellige siergrassen, en er valt geen kleur te bekennen. Er steken 4 paaltjes uit de grond, die met gelijke afstand de rotonde een kader geven, en aangeven dat je eromheen kunt.
Het is een altaar geworden.
Hier wordt door jongeren iets geofferd. ‘Ik geef opdat u geeft.’ (Wat precies, geen idee trouwens).
(Hoe toepasselijk ook dat het woord altaar verwant is met het Latijnse woord adolare wat verbranden betekent).
Deze gedachte over dat de rotonde een altaar is geworden waar door jongeren met de regelmaat van klok iets (op)geofferd wordt; is het een gedachte die ik zelf bedacht heb, of die ik al eens van iemand anders heb gehoord of gelezen?
Het laat me niet los. En wanneer bedenk je iets zelf? Is een idee ooit helemaal alleen van jou, of echoot er altijd iets van anderen in door?
‘Wat er is, was er al, en wat er zijn zal, is er al geweest.’ Prediker 3:15
Hoe vat je een skitripje van 4 dagen (waarvan 2 reisdagen) samen, dat aanvoelt alsof je 4 weken bent weggeweest? Ik waarschuw alvast, dit wordt een lang verhaal.
Wat ik denk ik het allerleukst vond van alles? Dat er drie (min of meer) willekeurige met elkaar beslissen om een weekend te gaan skiën, en dat je vervolgens elke dag wel 3x in je broek pist van het lachen. Mijn zusje Miranda (bijna dertiger, moeder en getrouwd), diens vriendin Jacolien (25, vrijgezel) en ik (eind dertig, moeder en getrouwd). Later zul je snappen waarom deze info ertoe doet.
Van te voren waren we bij elkaar geweest om alvast de voorpret aan te wakkeren, appgroepje aangemaakt, maar natuurlijk ook even checken wat ieders ritme is op een dag. Ben je een mooiweerskier? (Ik) Of iemand die de eerste lift wil pakken, met met de laatste nog een keer naar boven wil gaan? (Jacolien). Miranda kon alleen maar glunderen omdat ze er even een paar dagen tussenuit zou zijn.
Ik kende Jacolien al van crossfit, en als je het gezellig vindt om met twee zussen te gaan skiën, beiden al wat meer gesetteld, dan val je in de categorie relaxed en avontuurlijk. Dan neem je het leven wat meer zoals het op je pad komt, en heb je minder vastomlijnde kaders van hoe het zou moeten. En durf je risico’s te nemen, want het kan maar zo dat de twee zussen ‘‘s avonds met een theetje en een plaidje willen afzakken, en om 22.00u willen slapen.
Gelukkig was Jacolien mee, want anders was er weinig actie geweest. Op dag van aankomst moesten we haast buiten op het parkeerveld ons omkleden, skies eronder binden, passen kopen, en naar de gondels banjeren. Bij de gondel aangekomen bleek onze skipas niet te werken, en Jacolien ging kordaat terug naar het hotel, terwijl Miranda en ik er een beetje verloren bij stonden, en wie bleek er ook nog eens Duits te kunnen? Jacolien (want, jaar in Zwitserland gewerkt).
Het was prachtig weer, en we deden een paar lekkere afdalingen, en ik had het al wel weer gezien. Maar zo makkelijk bleken we er niet vanaf te komen. Aangezien Jacolien ook degene was die het beste de routes kon uitstippelen, konden we volgens haar berekeningen nog best twee liften pakken voordat ze zouden sluiten. Oja, en we moesten ook nog terug met een bus omdat we in een ander dorp uitkwamen. Ik slikte een paar keer, en wist, het gaat zo worden.
Van een kennis van Jacolien hadden we een ‘plan van Jan’ gekregen: alle leuke tentjes en restaurantjes in de buurt van Saalbach/Hinterglemm. Alles met rode parasollen bleek gezellig. Drankje hier, drankje daar. ‘s Avonds met het eten schraapten Miranda en ik onze keel, en heel voorzichtig, ik liet het lafjes een beetje aan Miranda over, brachten we ter sprake dat we toch wel graag naar bed wilden; het was 21.00u. In onze verdediging: we waren ‘‘s nachts om 03.00u vertrokken.
De wekker werd de volgende dag om 07.30u gezet, dat kwam toch een beetje als een schok, want ik dacht dat we niet aan wekkers zouden doen. (Scheelt trouwens dat ik altijd rond 06.30 wakker word). Meteen kleren aantrekken, ontbijten, en rond 09.00 de deur uit, naar de liften. Jacolien en ik, met z’n tweetjes. Waar Miranda gebleven was, dat is weer een ander verhaal.
En wat hebben we een prachtige dag gehad. De zon scheen, het was rustig op de pistes, en de sfeer zat er lekker in. Miranda halverwege de dag getroffen bij een restaurant, en wij weer tot de laatste lift pistes op en af, en zo regelrecht de apres ski bar ingeskied. Ik dacht op z’n minst even te kunnen douchen tussentijds, maar zo werkt apres ski niet heb ik ondertussen geleerd.
Zondag herhaalde zich. We mochten een half uurtje later onze wekker zetten, gelukkig. Het sneeuwde deze dag, maar oké, dat hoort er natuurlijk ook een beetje bij. De bergen weer op, skiën, koffie hier, aperol spritz daar, (of tegelijkertijd), hamburgers, skiën, Jacolien en ik, weer met z’n tweetjes, (waar Miranda gebleven was, is weer een ander verhaal), toch nog een zonnetje, laatste lift natuurlijk, en dalafdaling, zo recht weer de apres ski bar in. En nee, deze keer had ik niet gerekend op een douche. Aangezien we deze dag zoveel gelachen hadden, bleek dit overigens de beste manier om opdringerige mannen op afstand te houden: ‘Ik heb maar 1 broek bij me, en die is nat van de plas.’
Jacolien, iemand die zich niet anders voordoet, iemand die op een doel afgaat, geen méér woorden vuil maakt aan iets dan nodig, die skies en helm kwijtraakt, maar ook weer terugvindt, haar hart openstelt; wat een geluk dat ik meegevraagd ben voor deze trip.
Lieve positieve Miranda, mijn forever 19 jarige zusje. Aanpakker en doorpakker met een aanstekelijk enthousiasme. Hooguit 8 dagen aan ski-ervaring maar desondanks met een zelfverzekerdheid van de pistes af, (die ik pas na 5 jaar had).
Miep was mijn thuis tijdens dit reisje, degene aan wie ik met een half woord iets over mijn kinderen kon vertellen, of met wie ik tussendoor even snel de dag, situaties en dynamieken kon analyseren en evalueren.
Miranda, die op dag 1 viel, en niet verder kon skiën, en op dag 3 ook viel en niet meer verder kon skiën, en daarmee de bingokaart vol had met verschillende manieren om van de berg af te komen.
Maar die desondanks niet minder heeft genoten. Misschien zelfs wel het meest uit het weekend heeft gehaald, want er is geskied, er was zon, gezelligheid, en sauna, en bíjna zelfs een klein knippien op de middag.
Miranda die me aan het eind van het weekend waarderend en taxerend aankeek, en zei: ‘Oké, het is mooi om te weten dat ik zelf ook nog wel zeker zo’n 10 jaar de tijd heb om leuke dingen te doen, en te weten dat ik dan nog goed in de markt lig.’
Miranda en ik die over 5 jaar naar Noord Friesland rijden om een boerderij met beton gaan bekijken, en daarna gaan knuffelen met 16 alpaca’s waarvan er eentje Miep heet.